Verhalen uit Tlön: 'Plantwedstrijd'
De eerste tekenen van de naderende herfst begonnen zich voorzichtig te manifesteren. Even voor het ochtendgloren verzamelden we op de via pamfletten en affiches aangekondigde locatie en zetten we ons daar op een zelfgekozen plek op de grond met het aangezicht naar het oosten gericht waar dra de zon op zou komen. We namen het voor ons gelegen veld in ons op met al onze zintuigen. Het was een ruw, oneffen terrein waar zandgrond overging in leem (het eerste had sowieso nog duidelijk de bovenhand) en waarin sporadisch enkele stukken rots verspreid lagen. Zodra de eerste stralen de nachtelijke nevels verdreven, kleurden her en der opduikende bosjes lavendel de door lage duinruggen ingesloten vlakte deels purper met hun laatste bloeisels van het jaar. We namen de hele scene gedetailleerd in ons op en gedurende de ganse voormiddag lieten we onze tot op zekere hoogte gericht losgekoppelde gedachten hier in meditatieve, volatiele cirkels rond bewegen. Dit ging door totdat de zon haar hoogste punt bereikte. Kort voor het zover was werden twee grote manden uitschietende knoflookbollen, die met dit doel apart waren gehouden van de vorige oogst, aangedragen en aan de rand neergezet.
Het maakte deel uit van wat waarschijnlijk de eerste traditie was – en nog steeds is - die in onze nieuwe gemeenschap tot stand was gekomen. Dit gebeurde uit noodzaak na de barre winter die onmiddellijk op de grote omwenteling volgde en die wij als bewoners van de pas opgerichte staat slechts ternauwernood wisten door te komen door verwilderde aardappelen en andere onbestemde, niet altijd even smakelijke en vaak tot hevige buikpijnen leidende knollen die tussen de puinhopen van de oude wereld begonnen te kiemen op te graven en in een soort van soep te stoven. Om dit niet nog een keer te moeten meemaken hadden we in gezamenlijk overleg het hieropvolgende jaar een speels, intuïtief en in onze ogen ingenieus plantsysteem ontwikkeld waar we - nét door die karakteristieken - grote hoop in hadden gesteld om de opbrengst te maximaliseren. Naderhand bleek dat ook waarlijk heel efficient te zijn. Daar zouden we ons de ganse dag mee bezig houden. Het kaderde in een soort van wedstrijd waarmee verschillende gewassen aangeplant werden en waaraan iedereen die wilde deel kon nemen. Voor het knoflook-planten daagden naast mezelf nog een stuk of vijftien andere personen op waar er enkele mij vaag bekend van voorkwamen, waaronder een acteur die ik dacht in enkele tv-series aan het werk gezien te hebben. Aardappelen of pompoenen trokken meestal meer volk zodat ik bij dit minder populaire gewas wel een kans zag om te excelleren en eventueel zelfs de fel begeerde overwinning binnen te halen. Zodra middels een door merg en been snijdende tribale holler, die me meteen deze van Denisse Vargas op haar recente samenwerking met Equinox, thePeacekeeper in herinnering bracht (Hun up-tempo versie van de nostalgisch meeslepende traditional 'Los Luceros de tus Ojos' die zich soepel en aanstekelijk beweegt op de grens tussen folk, pop en traditie, drijft in de strofes op een aanstekelijke, aan Dolly Partons 'Jolene' verwante riedel en zwelt (ook vocaal) intens ritmisch en hypnotisch aan tot een tegelijkertijd bitterzoet en uitbundig refrein dat nog dagen in je hoofd blijft ronddwalen, niet in het minst vanwege de heldere, tijdloos aangrijpende en wendbare stem van Vargas die haast nonchalant tot spectaculaire zaken in staat is), het startsein werd gegeven had je tijd tot de ondergaande zon ver in het westen de hoogste top van de daar opdoemende bergen raakte om (in dit geval) de teentjes knoflook uit de manden te halen en te planten op een plek waar je dacht dat die het best zouden gedijen. Zo kreeg je een hele namiddag de kans om te denken en te voelen en helemaal één te worden met het landschap en de ziel van de plant en de ondergrond. Een camerasysteem hield alles in de gaten en registreerde elke actie en beweging op het veld. Bij de oogst het volgende jaar kon zo worden uitgemaakt wie welk gewas had geplant, en diegene die verantwoordelijk was voor het laten groeien van de nuttigste en voedzaamste groente werd dan na meticuleus meten en wegen tot winnaar uitgeroepen. Deze wachtte een doorheen de jaren felbegeerd geworden beloning.
Vermits ruimschoots voldoende tijd was voorzien, begonnen we vanaf de middag rustig en bedaard teentjes knoflook van de bollen los te peuteren en die naar eigen, weldoordachte en doorvoelde keuze tussen de vrij woekerende lavendelstruiken en opduikende stenen in de grond te duwen. Iedereen leek ervan doordrongen dat kwaliteit boven kwantiteit gaat, en niemand probeerde de anderen te overtreffen door zo snel mogelijk zo veel mogelijk plantgoed willekeurig te begraven. Terwijl de zon zich gestaag in een curve richting zuiden bewoog, zag ze ons hoog vanuit de hemel de hele voormiddag lang kriskras, schijnbaar willekeurige patronen tekenen over het gehele veld. Tegelijkertijd gefocust en onthecht trachtte elk van ons de perfecte groeiplaats voor de look te vinden. Scheut na scheut begroeven we naar eigen bestdunken in de grond. Soms gingen we er zo fel in op dat we elkaar niet meer gewaar werden en tegen elkaar opbotsten waardoor we tijdelijk uit onze zich snel herstellende, gecultiveerde trance werden gehaald. De mand raakte langzaam leeg en toen de zon vanuit ons standpunt nog slechts een fractie van een millimeter van de bergspits verwijderd was nam ik één van de nog schaars overgebleven stukken plantlook uit de korf voor mijn laatste poging. Geestelijk de uitputting nabij en ervan uitgaand dat deze het verschil niet meer zou maken was ik onderweg om hem zomaar ergens als ware het een formaliteit in de bodem te stoppen. Dat deed ik ook, maar tijdens het naar de verzamelplaats stappen waarbij ik de spanning die mijn brein gedurende een halve dag in zijn greep had gehouden geleidelijk begon los te laten, werd ik echter plots vanuit het niets door een even hevige als dwingende ingeving bevangen die mij een verzekerde overwinning voorspelde. Zonder verder nadenken keerde ik daarop snel op mijn schreden terug om het gehaast weer uit het zand graaien en in de finale seconden van de wedstrijd zowat een meter verderop met mijn duim tussen de wortels van een tegen de rand van een klein rotsblok groeiende lavendelstruik te duwen. Ik stond erna eerst nog wat beduusd naar de grond te kijken, voelde me toen helemaal leeglopen en begaf me dan moeizaam, met alle kracht uit zich verliezende benen naar de anderen.
In decompressie na een werkdag vol concentratie verzamelden we hierna spontaan om wat uit te blazen. De deelnemers waren elkaar doorheen de dag genegen geraakt en de sfeer was los, goedgemutst en luchthartig. Met naast hen de vermeende acteur in wie ik mits een plotse gedachteflits ineens ook enkele korte maar heldere glimpsen van een bevriende kunstenaar herkende (alsof ze in wezen dezelfde persoon waren), stonden recht voor mij de twee dames op laat middelbare leeftijd die me al heel de tijd onafscheidelijk waren gebleken. De ene was een nogal korte, pezige vrouw met donker haar dat door de ouderdom was beginnen uitdrogen en krullen terwijl de andere slank en groot was met met een blonde, licht grijzende, steile haartooi. Telkens ik die laatste op het veld had zien wandelen had ik, uiteraard met sympathie, moeten denken aan de wat stijve waardigheid van een voortschrijdende kraanvogel. Het kwam dan ook wat als een verrassing dat zij het was die er in de ongedwongen sfeer als eerste iets gedachteloos uit flapte. Wat ze te zeggen kwam echter niet in woorden van haar lippen gerold, maar bizar genoeg wel in materie; en toch begrepen we het allemaal onmiddellijk. Toen ze haar mond opende veruitwendigde ze met haar stem nochtans geen temporeel geordende klanken. In de plaats daarvan zagen we daarentegen iets letterlijk substantieels te voorschijn komen met een duidelijke vorm en consistentie. Het moet zijn dat de energie van de boodschap die ze bracht trilde op een frequentie eigen aan objecten eerder dan aan geluid. Heel ijl, en meteen vluchtig oplossend in de lucht openbaarde haar opmerking zich als een vierkante en dikke, in grofgeweven draad gehaakte lap stof die – alsof ze intonatie gebruikte - aan een ongelijkmatig tempo tevoorschijn kwam. Het had het voorkomen van een complexe, gedetailleerde en diepgaande uitbreiding van een primitief knopenschrift waarbij elke knoop voor een betekenisdeeltje stond. Zich bewust van de verbouwereerdheid die het zou veroorzaken bracht de vrouw het met een vrolijke twinkeling in de ogen die aanstekelijk werkte op haar vriendin. De anderen, inclusief mezelf, keken elkaar aanvankelijk inderdaad verbijsterd aan, maar al spoedig verscheen ook bij de rest collectief een brede glimlach rond de lippen toen ons blijkbaar gezamenlijk de strekking van het gezegde inviel, iets wat we een fractie ervoor nog voor onmogelijk gehouden hadden. We begrepen ook dat het niet echt in woorden uit te drukken was. Het ijs tussen ons was daardoor instant helemaal gebroken. Haast kinderlijk opgetogen over deze ontdekking en in een poging er een vrolijke draai aan te geven probeerde de al dan niet flauwste entertainer van ons gezelschap, een tengere jongeman met een hoornen brilmontuur, het prompt na te bootsen. Helaas voor hem bracht zijn mond echter helemaal niks voort, noch geluid noch iets tastbaars, alsof de mededeling bij hem droog in de keel bleef steken. Hierop ondernam de acteur eenzelfde poging en - wellicht vanwege zijn opleiding - deze kon het wel reproduceren. Tegelijkertijd beseften we weliswaar terstond dat de betekenis niet meekwam met het breiwerk. Het weefsel presenteerde zich aan ons immers als iets volstrekt onbegrijpelijks, gewoon een soort wollige materie die hij ophoestte, die ogenschijnlijk niets wilde zeggen.
Doordat de ernst waarmee hij het bracht in schril contrast stond met het absurd overkomende resultaat schaterden we het collectief uit van het lachen. En dat gebeurde allemaal onder een ster die we de zon noemen. Deze bizarre ervaring rijker keerde ieder vervolgens zijnsweegs, en toen een flink aantal maanden later via een opgehangen lijst aan het raadhuis de winnaars werden meegedeeld, bleek ik erbij te horen. Je kon meer informatie aangaande de besluitvorming opvragen, wat ik ook deed, en wat ik intuïtief al wist werd in dat dossier bevestigd: Het teentje dat ik als laatste nog snel had verplant, was uitgegroeid tot het beste, meest veelbelovende gewas.
Samen met de laureaten van de andere agriculturele wedstrijden werd ik daarop exclusief uitgenodigd op het jaarlijkse tuinfeest van de meest raadselachtige familie wijd in de omtrek, zijnde de Drablows van wie geen voorgeschiedenis bekend was en waarvan niemand wist hoe ze hun vroeger vergaarde, immense rijkdom in de nieuwe wereld hadden weten te conserveren. Het excentrieke gezin bestond uit een op haar idiosyncratische manier stijlvolle vrouw waarvan stellen dat ze een akelige uitstraling had weliswaar wat overdrijven zou zijn, maar in wiens bijzijn je je toch altijd ongemakkelijk voelde, haar steevast in dure kostuums paraderende man van wie gefluisterd werd dat hij stamde uit het ooit luisterrijke, tijdens de omwenteling quasi volledig uitgemoorde geslacht Spetatrio die uiteindelijk haar naam had aangenomen, en hun zowat vijfjarige zoontje Lawrence. Om toch iets uit hun diepe zakken met de gemeenschap te delen organiseerden ze ieder jaar een overdadige, feestelijke avond waarop een via de concoursen geselecteerd segment van de bevolking uitgenodigd was. De festiviteiten vonden steevast plaats tijdens de nacht van de eerste supermaan van het jaar na het invallen van de lente. Enkel verlicht door de heldere maneschijn werd dan telkens een gerenommeerde musical met een indrukwekkende cast opgevoerd. Dit jaar was het de beurt aan Lin-Manuel Miranda's Amerikaanse Revolutie-epos 'Hamilton' waarvoor de beste acteurs en zangers van ver in de omtrek met plezier present tekenden, waaronder zich die keer zelfs An de Hoeferting bevond die toen een tot de verbeelding sprekende ster was.
Ter opwarming kwam daarenboven eerst nog de Canadese Anachnid haar recentste plaat 'Dreamwaver' voorstellen. Deze indrukwekkend sfeervolle langspeler grossiert in gevarieerde donkere, dromerige indiepop die buiten tribale invloeden ook elementen bevat van onder andere hiphop, country, lome clubelektro, folk en zelfs een streepje jazz. Als je daar nog bij neemt dat de consequent spirituele lyrics in combinatie met de bedwelmend onderkoelde, bezwerend meeslepende vocalen het geheel organisch bij elkaar houden en tot een begeesterende eenheid maken, kan je je wel inbeelden dat ik reikhalzend naar het optreden uit keek.
Voor het echter zover was had ik tijdens de plechtige verwelkoming waarbij de genodigden druppelsgewijs het immense, keurig onderhouden terrein betraden onder de andere winnaars al Milan Zlomp herkend, een jongeman van zowat mijn leeftijd waar ik redelijk goed bevriend mee was geraakt in het zich vooral nog in het verborgene tot bloei komende uitgaansleven. Het leek dan ook logisch dat we de rest van de avond met elkaar zouden optrekken. In die tijd rookten we in onze nieuwe subcultuur iets dat eruit zag als een tot de grootte van een vingerhoed gecompresseerd Devo-hoedje dat bestond uit een donkerbruin soort van geperste turf. Het brandde traag en aan één exemplaar kon je wel een kwartier lurken. Het bracht je in een rustgevende roes die tegelijkertijd je focus verscherpte waardoor alle zintuiglijke indrukken langzaam en helder binnenkwamen. Vermits deze zogenaamde sloppies strikt verboden waren op het tuinfeest en Milan en ik voor de muzikale performance graag wilden roken, gingen we bij het begin van Arachnids soundcheck op zoek naar een plaats uit het zicht waar dit stiekem toch mogelijk was. Vanwege de drukte vonden we er na lang zoeken, toen de tijd toch wel begon te dringen als we niets van de show wilden missen, niets beters op dan via een dakgoot en een raam het onverlichte en voor zover we dachten verlaten, ouderwets statige woonhuis van de Barlows binnen te klimmen om er in de verduisterde kamer waarin we terecht kwamen snel eentje op te steken. De vloer van het achterste gedeelte van de ruimte (dat waar we ons bevonden) bestond uit een houten verhoog zo'n twintig centimeter boven de rest van het vertrek waar de betegelde vloer helemaal leeg was. Op de plinten stond een volledig uitgerust, antiek bureau en verder lagen er wat onbestemde spullen op de grond. Achter de schrijftafel leken we op ons gemak te zitten en begonnen we, met onze rug tegen de muur leunend, een aangestoken sloppie na iedere trek aan elkaar doorgevend, over muziek te praten. Eerst hadden we het over het nieuws dat deze week ons beider sociale media beheerste dat, nu ruim dertig jaar na datum, een team academici uit de forensische sector een paper had gepubliceerd gekregen waarin men, naar werd beweerd op wetenschappelijke gronden, tot de conclusie kwam dat de dood van Kurt Cobain indertijd onmogelijk zelf veroorzaakt kon zijn. Hoeveel we over deze zaal ook lazen en hoorden, als puntje bij paaltje kwam bleven we afhankelijk van indirecte bronnen en konden we dus zelf enkel maar wat richtingloos speculeren. Beseffend dat we waarschijnlijk voor altijd in het ongewisse zouden blijven en dat onze conversatie zoals eerder al vaak ook nu doelloos in cirkels dreide te blijven ronddraaien, hintten we beiden op een nieuw onderwerp. Wel merkte ik eerst nog de parallel op - iets waar ik al een tijdje in mijn onderbewuste moet mee rondgelopen hebben maar dat zich pas onlangs in mijn gedachten concretiseerde - tussen Cobains lyric 'I swear that I don't have a gun” en de eveneens in mysterieuze omstandigheden gestorven Chris Cornell die in 'Pretty Noose' “and I don't like what you've got me hanging from” zong, wat gezien beider manier van heengaan als een van voorvoeling doordrongen boodschap kan gezien worden. We dachten dat er wel ergens een klepel hing maar wisten niet wat we daar nu verder mee aan moesten en schakelden na wat losse mijmeringen over op 'Eat Myself', de nieuwe plaat van Together Pangea die we allebei blijkbaar al ettelijke keren beluisterd hadden de laatste dagen en waar we dus wel een specifieke mening aan konden vast knopen. We waren het erover eens dat William Keegan & co na al die jaren in het zadel, ook zonder hun jeugdige onbesuisdheid die op hun eerste platen geregeld wat licht provocerende ongein liet opduiken, nog steeds consistent fris voor de dag konden blijven komen in het gitaarrockgenre dat al meermaals als uitgemolken bestempeld werd. Voor ons was het allang bewezen dat Keegan altijd over het talent zou blijven beschikken om een goede song te schrijven die aan elkaar hangt van hooks en aanstekelijke zanglijnen, en dan kan er eigenlijk niet veel meer mislopen. Milan opperde dat het explosieve 'Sunkin' wel eens over Trump kon gaan en ik vond dat de riff van het instant catchy 'Shattered' wel erg geleek op die van Kino's 'Posledni Geroi', al weten we dat dan weer aan toeval. We besloten het gesprek met de onmiskenbare invloed van de Smashing Pumpkins ten tijde van 'Adore' op afsluiter 'Burn the Hillsides', en toen we het vervolgens hadden over hoe moderne bands hoe langer hoe meer en tevens hoe belabberder leken te kiezen voor (naar we veronderstelden) ironische, Nederlandstalige groepsnamen genre Natte Fischstick of Vieze Meisje en we zelf moesten grinniken om onze eigen suggestie Kebabkots, hoorden we van diep in het huis, voorlopig nog een verdieping onder ons een verontrustend gestommel alsof de woning toch niet verlaten was.
Instinctief wisten we dat we in gevaar waren en we twijfelden er niet aan dat de aanwezigen recht naar onze schuilplaats onderweg waren. We doken in elkaar achter het bureau en voelden de lucht allengs geconcentreerder worden alsof ze door de aankomende bezoekers voor zich uit werd geduwd en tegen de muren samengeperst, waardoor omvangrijke druppels condensatie zich op ons voorhoofd vormden. Zo werden we omgeven door een snel dikker wordende, vibrerende water-, zuurstof- en nog iets onbestemds(dat we niet onmiddellijk konden thuisbrengen)rijke massa die hen vooraf ging. Plots floepte een spot aan die het lagere gedeelte van de kamer in een fel licht deed baden waardoor dit het aanzien van een klein arenapodium kreeg, en konden we – gedreven door een onbedwingbare fascinatie en naar onze mening beschermd door het duister – met onze ogen net boven het bovenblad vanaf ons hogergelegen deel neerkijken op de blinkende tegelvloer alsof we toeschouwers bij een theaterstuk waren. De deur zwaaide even later naar binnen open en meteen veranderde nu heel erg duidelijk de samenstelling van de directe atmosfeer om ons heen. Het was niet dat er een wind kwam binnengewaaid, maar eerder dat de nog steeds verder samendrukkende lucht door een immense kracht met iets onbekends werd geïnjecteerd. Toen we vervolgens meneer Barlow, die zijn zoontje met de handen op diens schouders meetroonde, in het vizier kregen, hadden we niet de indruk dat één van hen hier aan de basis van lag. Beiden waren keurig in een bij elkaar passend driedelig maatpak gestoken met het haar netjes middels een zijstreep aan het hoofd geplakt. De vader leidde zijn zoon naar het midden van de bühne waar hij zich van hem verwijderde naar de muur aan de rechterkant. Allebei hielden ze hun blik gericht op de nu openstaande deur. De indruk die ze emotioneel wekten was die van angstige verwachting. Even later verscheen dan mevrouw Barlow door de deur. Ze keek hologig en - hoe frêle ze ook was- leek bijna uit elkaar te barsten van de ingehouden energie. Toen haar hoofd tot onze ontsteltenis meteen onze richting uitdraaide alsof ze ons met haar zintuigen waarnam maar dit niet geregistreerd werd door haar brein, scheen ze ons niet echt te zien. Toch waren we ervan overtuigd dat ze zich terdege bewust was van onze aanwezigheid, al kon dit haar wegens de futiliteit van ons bestaan blijkbaar weinig deren. Het rustgevende effect van onze sloppy was ondertussen in sneltempo uitgewerkt geraakt, en een immense angst hield onze maag in een wurggreep. We wisten volstrekt niet waar we aan toe waren maar een immense bedreiging van ons bestaan was zo goed als tastbaar. Zo sloegen we haast als verlamd, zowat willoos het tafereel dat zich voor ons afspeelde gade.
Mevrouw Barlow droeg enkel een inktzwarte, franjeloze katoenen jurk waartegen haar bleke huidskleur quasi fluoriscerend oplichtte. De angstgremel rond de mond van haar mannelijke gezinsleden verstarde en leek even later definitief op hun gelaat te geëtst te worden, toen ze haar kleed van de schouders losmaakte en op de grond liet glijden. De huid over haar volledige lichaam leek van binnenuit te knetteren van de elektrische lading. Nog steeds met dezelfde buitenaardse blik in haar ogen nam ze de tijd om langzaam en tot diep in de buikholte in te ademen. Vervolgens opende ze ongehaast haar mond en blies met een doelgerichte beheersing waar onmiskenbaar een geweldige power achter zat een arctisch aanvoelende ademtocht waar geen einde aan scheen te komen voor zich uit. Terstond zag je de lucht rondom haar heen condenseren en zelfs in sneltempo ijskristallen vormen. De jongen die ogenschijnlijk het objectief van haar uithaal was en die meteen wit uitsloeg, probeerde het nog uit te gillen, maar hij kon zijn schreeuw zelfs niet afmaken. Deze bleef immers volledig vastgevroren in de lucht rondhangen en domineerde sindsdien onafgebroken de hele ruimte. De zichtbaarheid in het vertrek verminderde zienderogen naarmate de vrieslucht zich verspreidde (uiteraard ook onze richting uit) en alles wat zich in welke toestand dan ook daar bevond aan zich onderwierp en omtoverde in iets dat het midden hield tussen een vrieskelder en een ijsgrot. Onze vluchtreflex kon zich hierdoor uiteraard onmogelijk in daden omzetten en zelfs als ongenode gasten waren we gedwongen deel uit te maken van het niet eens voor ons bedoelde, lugubere tableau vivant. Achter het bureau kwam het haar zowel van de koude als van afgrijzen recht op onze armen te staan, en voor onze ogen werd alles wazig. We hoorden enkel nog de in de lucht hangende angstschreeuw. Ik kon zelfs niet meer denken. Mijn gedachten leken vastgepind op dat ene panische moment van wanhoop vlak voor de koude mijn hoofd bereikte...

Reacties
Een reactie posten