Verhalen uit Baouan: 'Red Carpet'

Toen we het vijfde jaar van het middelbaar aan een school die voor deftig doorging, bijna hadden afgewerkt, schuimden mijn klasgenoot Harold en ik in onze vrije tijd al een hele poos zoveel mogelijk muziekoptredens af op buiten het standaardcircuit vallende locaties in de stad, waar doorgaans een ongedwongen sfeer hing en waar veel mocht en kon, ook al oogden de settings op het eerste zicht soms wat groezelig en weinig professioneel. Alles bij elkaar genomen maakte dat echter mee deel uit van de charme die ons zo aanlokte. Het was een periode van vele kraakpandfestivals, huisconcerten, straathoekfeesten en café-optredens waar het rijk arsenaal aan alternatieve bands (de ene al beter dan de andere) die in die tijd overal te lande als paddenstoelen uit de grond schoten, en de overwegend jonge fans van het genre elkaar vonden in een creatief vruchtbaar, laagdrempelig biotoop (dat, als een van de weinig overgebleven vrijhavens waar ze nog onbevooroordeeld zichzelf konden zijn, door dat laatste ook een legertje weirdo's en outcasts van allerlei pluimage aantrok). Terwijl we voor de lijzig slepende, delicaat gevlochten gitaarmuur van Fuentes, de bezwerende garagegrunge van Grant Moff Tarkin, de expressieve metalrock van Monster Joe, de frisse gitaarpop van Sodatune, de bedwelmend gefingerpickte folk van Aidi, de tongue-in-cheek nerdrock van A.R.S.E.!, de energieke hipsterrock van Founder, de catchy indie van The Q-Shift of de intense emo van Atombox al eens een verdere verplaatsing wilden maken (waarvoor we op het openbaar vervoer aangewezen waren), frequenteerden we binnen fiets- en wandelafstand zoveel mogelijk van deze evenementen, los van wie op de affiche stond.

Waar onze leefwerelden tot dan doorgaans gescheiden waren gebleven en ieder zich voornamelijk in zijn eigen bubbel bewoog, kwamen we daar voor het eerst echt in contact met de instellingsjongeren die talrijk en herkenbaar aanwezig waren in de centrumstraten en die – vanuit de eigen beschermde achtergrond gezien - voor ons een eerder exotisch aantrekkelijke, van enig ontzag vervulde reputatie hadden. Ze hadden overduidelijk lak aan elke vorm van gezag en spreidden dit ook ostentatief tentoon. In tegenstelling tot henzelf beseften wij indertijd niet dat ze minder rooskleurige toekomstperspectieven hadden dan wij, en daardoor kwam het dat ze op dat moment met meer bravoure door het leven gingen. Ze waren ruwer, roekelozer, harder, fatalistischer en cynischer wereldwijs, en door hen van dichtbij te observeren slaagden Harold en ik erin enkele van hun kleine groepsmaniërismen over te nemen zodat we ons sterk maakten dat zó een glimp van hun natuurlijk overkomende branie op ons afstraalde.

Het was eerder al aarzelend op gang gekomen, maar nadat Harold gedwongen had afgehaakt (als gevolg van een periculeus incident waarbij uiteindelijk de politie had moeten ingrijpen, met als direct gevolg dat hij door zijn ouders voortaan strikt in de gaten werd gehouden), ontwikkelde ik een hechte vriendschap met Leif één van die non-conformistische jongeren die ook quasi altijd bij optredens rondhing. Hij zat doorgaans krap bij kas en toch was hij achteloos en onbaatzuchtig zijn joints met mij beginnen delen, waarop ik hem – niet echt in ruil, maar eerder als blijk van appreciatie - geregeld op bier trakteerde. We raakten steeds vaker met elkaar aan de praat en gingen elkaar hoe langer hoe meer doelbewust opzoeken. Occasioneel slikte ik ook één van de aangeboden pillen waar hij zijn messcherpe gelaatstrekken, slechte huid en een deel van zijn lef aan te danken had. Als hij stoned was ontpopte Leif zich tot een soort anarcho-filosoof wiens stokpaardje eruit bestond dat ultieme vrijheid enkel kon bereikt worden via een periode van intense chaos. In hindsight, met de grote omwenteling van enkele decennia later in gedachten, kan je zeggen dat hij daarin best visionair voor de dag kwam. Over hoe hij zich die chaos concreet voorstelde en welke acties hij al had ondernomen om ze te bewerkstelligen kon hij de meest krankzinnige, vaak hilarische verhalen opdiepen die dikwijls tot laat in de nacht bleven entertainen en fascineren, en die ervoor zorgden dat heel wat concertgangers hun vertrekuur herhaaldelijk uitstelden tot het moment waarop zijn laatste woord was gevallen.

Het was ook een periode waarin talloze jeugdbendes, vooral dan na zonsondergang, grote delen van zowel provincie- als grootsteden (in toenemende mate van ernst), waarin helaas vaak concertplaatsen gelegen waren, onveilig maakten. Als voorbereiding op een met de trein bereikbare muzikale trip die ik op mijn eentje gepland had, vroeg ik – gezien ik eerder al in potentieel gelijkaardige omstandigheden beroofd was van mijn schaarse zakgeld en enkele andere kleine bezittingen - Leif, die deze buurt dagelijks moest passeren om op school te geraken, op een keer om enkele nuttige tips. “Als ze een sigaret vragen, geef je er een,” wist hij me te vertellen, “als ze echter je jas willen, zet je het op een lopen en hoop je dat dat je snel genoeg bent.” Met deze weinig hoopgevende woorden leek ik het te moeten stellen. Scheef grijnzend nam hij immers een diepe haal van de joint die hij in handen had en duwde hem vervolgens tussen mijn vingers, waarmee hij aangaf dat er wat dat betreft geen verder advies in zat. De hierop volgende gure voorjaarsavond bleef de overlast die ik ondervond echter beperkt en hoefde ik me niet op deze raadgevingen te beroepen, al zouden ze in de nabije toekomst wel nog ettelijke keren hun nut bewijzen.

Enkele maanden later waren de juni-examens net achter de rug, en voor de vakantie officieel begon hadden we al een zo goed als vrije week vooraleer we nog een laatste keer naar school moesten om onze eindresultaten af te halen. Verleid door het avontuurlijke van de hele onderneming, had ik me laten overtuigen om op een van die dagen Leif te vergezellen naar zijn vaste dealer en voor het eerst een voorraadje marihuana voor mezelf te kopen. Daar was niet veel overredingskracht voor nodig geweest, daar ik me sinds kort in mijn ontdekkingsperiode van jaren-80 cinematografische cultklassiekers als 'Over the Edge', 'Drugstore Cowboy', 'Rumble Fish' en 'River's Edge' bevond, allen handelend over van de (door de boomergeneratie gecreëerde) maatschappij vervreemde jongeren. Ik was ervan overtuigd dat daarin een waarheidsgetrouw beeld geschetst werd van het soort jeugdbeleving dat een ideale kweekvijver vormde voor het toen reeds sluimerende grungevirus dat spoedig tot volle wasdom zou komen en kortstondig maar radicaal het geluid, de geestesgesteldheid en het uitzicht van de wereld zou veranderen. Geïnspireerd door laatstgenoemde film beeldde ik me in dat ik Keanu Reeves (Matt) was die samen met Crispin Glover (Layne) bij Dennis Hopper (Feck) wiet ging kopen. Op dat moment wist ik nog niets van Leifs afwijkende plannen en achter mijn rug gemaakte afspraken af. Zelfs toen hij op onze vastgelegde ontmoetingsplek onvoorzien vergezeld werd door zijn kameraad Trevor, die ik enkel van zien kende, rook ik nog geen onraad. Te voet trokken we gedrieën naar een rijhuis aan de rand van de stad. Dat Leif wat geslotener voor de dag kwam dan normaal, weet ik aan de aanwezigheid van de onverwachte derde. Hierdoor was ik onderweg zelf ook minder spraakzaam. De neergelaten rolluiken op onze bestemming wekten geen uitnodigende indruk, maar Leif nam het initiatief en klopte met zijn vuist een blijkbaar afgesproken patroon op de houten deur, waarna deze – eerst langzaam op een kier en vervolgens met een schichtige ruk wagenwijd – werd geopend, en we oog in oog kwamen te staan met een schriele dertiger in een rafelige, oversized kostuumvest die hij op een afgedragen, met vuilvlekken besmeurde jeans droeg. Boven een onverzorgde baard en te midden een wirwar aan ongewassen haren namen zijn argwanend priemende, kleine varkensoogjes, die hij trachtte te counteren met een soort onderdanige glimlach, ons achterdochtig op. Hij had enkele ogenblikken nodig om ons te plaatsen in zijn mentale schema en leidde ons vervolgens een onverlichte gang door naar een sober (of eerder niet) ingerichte kamer met als meubilair enkel een centraal geposteerde, brede, franjeloze tafel waarachter hij plaats nam, terwijl wij er wat bedremmeld met de voeten schuifelend tegenover bleven staan. Een eivormige, geïntegreerde cd-speler die in een hoek van de ruimte op de vloer stond, speelde op laag volume de greatest hits van de Steve Miller Band af. Met beverige, in vingerloze handschoenen gestoken handen waarvan de vuile vingernagels waaronder zich een aantal bloedblaren bevonden, zijn verwaarloosde hygiëne nog eens extra in de verf zetten, graaide hij in een bak onder de tafel, en almeteen stopte hij ons twee zakjes met een gebruikershoeveelheid marihuana toe. Daarmee was, zoals ik tot dan gedacht had, de kous echter niet af, want even later gooide hij een forse, hermetisch getrokken en dicht gesmolten, doorzichtige plastiek zak van aanzienlijk groter formaat met een bloedrode pasta erin op het tafelblad. Red Carpet noemde hij het. Totaal onbewust van de bedoeling ervan en behoorlijk in de war rakend, staarde ik naar het rode gevaarte op het midden van het verder kale meubel. Nadat ik wat bekomen was van de eerste schok checkte ik Leif en Trevors gelaatsuitdrukkingen, en ontwaarde daar vreemd genoeg niet de geringste blijk van verrassing op. Volgens een hierna klinisch en verveeld gegeven infopraatje ging het om een nieuw soort drug die sedatieve met hallucinogene effecten combineerde; even verslavend als heroïne maar voorlopig nog vele malen goedkoper. Mijn blik had zich inmiddels weer vol ongeloof op het pakket gefixeerd. “Hier ben je toch voor gekomen,” gaf hij aan, “precies een halve kilogram,” waarna het besef volledig tot me doordrong dat ik erin geluisd was. Op slag overviel me een met zelfverwijt beladen gevoel van naïviteit en domheid. Toen vervolgens over geld gesproken werd, keek dan ook nog eens iedereen plots eensgezind mijn richting uit, waarbij ik niet anders kon dan de gemene grijnslach die rond Trevors lippen speelde op te merken. Leif durfde me, vermoedelijk uit schuldgevoel (iets waar ik me, voldoende wanhopig om hunkerend naar elke toegeworpen strohalm te reiken, een heel klein beetje aan optrok), niet in de ogen kijken. Terwijl een vanuit mijn centrale zenuwstelsel opkomende nervositeit mijn handelen helemaal had overgenomen en ik niet in staat was helder na te denken, overhandigde ik, tot in mijn botten overrompeld en geïntimideerd, snel en onsystematisch alles wat ik in mijn portefeuille en broekzakken vond, tot het laatste muntje toe. De voorbije dagen had ik genoeg bij elkaar geschraapt voor een ruime hoeveelheid marihuana (voor de zekerheid iets boven de prijzen die Leif had beschreven), en dat legde ik allemaal op de tafel. Uiteraard was ik enkel voorzien op slechts enkele grammen en volstond het bedrag allerminst voor de opgedrongen koopwaar, maar dat vormde volgens de dealer geen probleem zolang we over precies een maand, nadat we de hele zooi verkocht hadden, de rest maar kwamen af rekenen, en dan zouden we wel verder zien. Door aan te geven dat hij al het geld sowieso mocht houden, samen met het goedje waar ik niet op zat te wachten (ik was zelfs bereid de cannabis terug te geven), probeerde ik de mij opgedrongen overeenkomst nog af te wimpelen, zij het, gezien de hopeloosheid van de situatie, met weinig overtuiging. Leif en Trevor steunden me hier overigens allerminst in en leken zelfs eerder enthousiast. Terwijl ik nog met benepen stem hakkelend mijn bezwaren trachtte te uiten, kwamen daarbovenop onaangekondigd twee fysiek imponerende, mentaal intimiderende figuren de kamer binnen die zich niet voorstelden en zich zwijgend en nors achter de sjofel uitziende verkoper posteerden, waarop ik de rest van de woorden die nog op mijn tong lagen allengs inslikte. Even viel een ongemakkelijke stilte, alvorens Trevor stoutmoedig het pakket oppikte en in zijn rugzak wegborg. Hij knikte naar de man achter de tafel keek nog even met een vragende blik in het rond, waarop geen respons kwam en hij besliste dat we er veilig vandoor konden gaan, wat we ook deden.

 

Op weg naar buiten deelde ik de extatische toestand die Leif en Trevor onbedwingbaar uitwasemden hoegenaamd niet. In hun ogen was het bezoek dat hoop en al twintig minuten in beslag had genomen, een regelrecht succes en de tot het kookpunt opgebouwde spanning die nu bij iedereen gezamenlijk leegliep als een ballon maakte bij hen plaats voor een euforische opluchting (bij mij voor angst). Helemaal opgewonden en opgelaten holden ze als een stel honden dat zopas na een langdurig verblijf uit een kennel werd bevrijd, bokkensprongen makend de straat op, Trevors tas als enkele spelende kinderen over en weer naar elkaar toegooiend. De consequenties van het hele gebeuren drongen duidelijk niet tot hen door. Ze zagen enkel de rijkdom en hierdoor geopende mogelijkheden die volgens hen binnen handbereik lagen, en hadden ook elk gevoel van ongemakkelijkheid dat zich enige minuten ervoor nog manifesteerde als het ware bij het buitengaan volledig afgeschud, als twee vervellende slangen hun nutteloos geworden oude huid. Ik nam hun gedrag tegenover mij gedurende de hele onderneming in mijn achterhoofd mee, maar (naar mijn idee) door de prangende situatie gedwongen praktisch en doortastend te handelen, koos ik ervoor om de hele toestand voorlopig te aanvaarden zoals ze was en vooreerst een aanpak uit te werken die ons min of meer uit de problemen zou kunnen houden. Om daarnaast ook even te bekomen van de doorstane emoties stelde ik voor kort iets te gaan nuttigen in een op elk ander moment door ons te allen prijze gemeden burgerlijke taverne op het centrale marktplein. Ik voelde namelijk een dwingende nood aan de normaliserende invloed van de aanwezigheid van mensen die grijs en met twee benen in het openbare leven stonden. Eens we een tafeltje bezet hadden, trok Leif echter stante pede naar de toiletten, en toen hij terugkwam zag ik onmiddellijk dat hij totaal buiten zinnen was. Zijn ogen stonden psychotisch glazig, vanaf zijn neus vertrokken ettelijke rode vegen naar verschillende richtingen op zijn gelaat, en als hij zijn mond opende zag ik dat ook zijn tanden rood kleurden. Al mijn alarmbellen gingen meteen af, ik annuleerde vlug onze net geplaatste bestelling en haastte me met de rugzak die ik uit Leifs handen graaide naar buiten. Er niet op lettend of mijn gezelschap wel volgde, zocht ik een op dit uur verlaten binnenplein op waar we, tussen enkele hoge woonblokken in, uit het zicht van de dagdagelijkse maalstroom stonden. Ik opende de tas en wat ik voor ogen kreeg overtrof mijn instinctief ontwikkelde vrees zelfs nog aanzienlijk. In plaats van de strak opgespannen plastiek zak kreeg ik een rommelige, ineen gedeukte versie ervan te zien waarbij al flink wat pasta over de rand gemorst was tot op de poreuze bodem waar hij al wat begon in te dringen. Zo goed en zo kwaad als waartoe ik in staat was schraapte ik zo veel mogelijk van de kostbare substantie terug in het zakje en kleefde het (door nood en gebrek aan beter gedwongen) dicht met het lipje plakband dat ik van mijn pakje roltabak los peuterde. Ik werd met groeiende mate van helderheid de aanwezigheid van Leif gewaar die met lege ogen, zich onbewust van zijn omgeving in het rond greep naar veronderstelde verschijningen die zich klaarblijkelijk aan hem manifesteerden, en zijn kompaan die hem met weinig succes een beetje in toom probeerde te houden. In het luchtledige rond zich heen klauwend nam Leif plots met infantiele verwondering de benen in rechte lijn naar de drukke winkelstraat. Toen het ernaar uit zag dat hij niet dra zou weerkeren, ging ik er voor het gemak van uit dat Trevor hem wel van al te erg onheil zou proberen te vrijwaren (indien niet kon het me op dat moment eigenlijk ook niets schelen), en nam ik gedecideerd de rugzak onder mijn hoede waarmee ik mij zo snel mogelijk zo ver mogelijk uit de voeten maakte. Met die twee zou ik later wel onze gezamenlijke affaires afhandelen; voorlopig lag mijn prioriteit erin om me knoop per knoop zonder onherstelbare kleerscheuren los te maken uit deze onverkwikkelijke zaak met - indien dat zou lukken - op dat moment trouwens nog de stellige bedoeling later nooit meer in gelijkaardige problemen verzeild te geraken. Dat zou evenwel volledig anders uitdraaien.

De drugs in de rugzak hingen als een molensteen rond mijn nek. Met constant mechanisch heen en weer draaiende oogbollen monitorde ik als een radar het stadsgewoel. Ten prooi gevallen aan een intens opgekomen paranoia, spande de kabel die zich rond mijn maag had gelegd zich iets strakker aan en kromp ik iets verder in elkaar telkens ik in de verte een zweem van een uniform (eender of het van een agent, een postbode of een waterstandopnemer was) meende te ontwaren. Aldus panikerend over de best te volgen strategie, zette ik mijn logische redeneervermogen koortsachtig aan het werk. De eerste stap die ik moest zetten was het periodiek en veilig onderbrengen van de tegen wil en dank in mijn bezit gekomen ballast. Ik durfde die immers niet mee naar huis nemen. Moest die daar gevonden worden zou geen enkele ontkenning baten, en een aanvaardbare smoes was gezien de aard van de feiten ook quasi onhaalbaar. Met een op volle snelheid tollend brein struinde ik willekeurig door de stad, vaak op goed geluk een mij weinig bekend straatje invluchtend voor een al dan niet imaginair gevaar. Zo verliep een aanzienlijk deel van de middag in opperste spanning zonder ook maar een stap dichter bij een uitweg te komen. Net toen ik deze status quo niet langer houdbaar begon te vinden en een diepe wanhoop zich van me meester maakte, viel me in een moment van onverklaarbare helderheid het begin van een oplossing in. Ik kwam namelijk eensklaps tot de conclusie dat de meest private plaats die ik kende mijn met mijn eigen hangslot (waar zelfs de directeur geen sleutel van had) afgesloten locker in de school was. Zoals ik wist waren de buitendeuren van het gebouw waarin deze zich bevond buiten kantooruren daarenboven niet afgesloten. Het door iedereen verwaarloosbaar geachte kastje dat er op dit moment van het jaar veronachtzaamd bijlag, kon dus een ideale tijdelijke bergplaats vormen. Eens het idee vaste vorm had aangenomen, haastte ik me naar huis om mijn fiets op te pikken en reed ik rechtstreeks naar de school, die ik op basis van de lege parkeerplaatsen (zoals ik gehoopt had) verlaten aantrof. Om zo snel mogelijk van het hete hangijzer af te zijn, deponeerde ik de rugzak zonder hem nog eens te openen gehaast in mijn locker, alvorens, voor even verlost van de mentale last, haastig rechtsomkeer te maken. Tegen de laatste dag dat ik nog op school moest zijn zou ik er wel een beter onderkomen voor gevonden hebben en een gedegen plan hebben uitgewerkt. Eens terug thuis had ik het avondeten gemist, wat nog wel eens voorviel en aldus gelukkig niet voor extra alertheid vanwege mijn naaste familieleden zorgde, en was mijn gehele focus erop gericht mijn eigen ontreddering te verbergen om geen argwaan te wekken en de slapende honden in hun huidige staat te laten.

 

Toen ik de morgen van de rapportbedeling het ouderlijke huis verliet was ik er nog zeker van dat ik wakker was, iets waar ik even later niet langer van overtuigd was. Sindsdien leek het of er een kleine vertraging zat op alles wat ik deed. Het zorgeloze gevoel waarmee ik was opgestaan wegens het vooruitzicht dat ik me niet druk hoefde te maken om mijn resultaten, had maar een fractie van een seconde geduurd, en had terstond plaats gemaakt voor een groeiend onbehagen, voor de volle honderd procent te wijten aan het tot dan toe naar een uithoek van mijn bewustzijn verbannen (ik was namelijk erg goed in het fragmenteren van mijn gedachten en het wegdrukken van de ongewenste, maar dat viel gezien de urgentie tot handelen niet langer vol te houden) beeld van de rode pasta die voor het eerst in dagen weer in alle hevigheid op de voorgrond trad. Daardoor was ik ten prooi gevallen aan een indringende, nauwelijks te bedwingen onrust. Ik had Leif nagenoeg een week niet meer gezien of gesproken (hij had een aantal berichten op mijn telefoon achtergelaten waar ik voorlopig de moed niet toe had gehad die te beluisteren) en had nog steeds geen plan bedacht, ik was er zelfs nog niet aan begonnen. Het enige dat ik de voorbije dagen had bereikt was dat ik in een verwaarloosde nooit meer gebruikte (en dat was al zo sinds ik ze jaren voordien al spelend als kind ontdekte) jachthut in het bos achter ons huis een ondergrondse bergplaats had gevonden waar ik de rugzak later op de dag naar zou verplaatsen.

Nog maar net had ik mijn fiets aan een kettingslot gehangen aan de fietsenparking voor leerlingen of daar kwam een zichtbaar opgewonden Harold me al tegemoet gesneld uit de richting van het schoolgebouw. Ik voorvoelde meteen dat wat zou volgen niet positief zou zijn en vanuit mijn ruggenmerg, een oeroud genetisch materiaal bevattend netwerk van zenuwen en zenuwknopen, steeg een duistere vrees in golven omhoog. “Er is politie aanwezig,” wist hij te melden, “wat ze komen doen weten we nog niet.” Uiteraard achtte ik me - moest mijn voorgevoel de realiteit effectief voorafgaan - minder in het ongewisse, en hechtte zich in mijn brein de zekerheid vast dat ik de ernstig gedupeerde van het hele gebeuren zou worden. Samen met Harold legde ik de korte afstand naar het somber op ons neerkijkende voormalige kloostergebouw af, en toen we de hoek van de speelplaats rondden, speurde ik met een haviksoog naar de verontrustende aanwezigheid van de aangekondigde agenten, die ik quasi onmiddellijk wist te lokaliseren aan de trap van de leerlingeningang waar ze in overleg waren met de directeur en de secretaris die allebei hun meest ernstig plechtstatige gezicht hadden opstaan. Ergens zorgde dat voor een zekere opluchting vermits dat naar alle waarschijnlijkheid betekende dat ik dus nog niet te laat was. Onderwijl kreeg ik vanuit mijn ooghoek een impressie mee van al mijn jaargenoten – hun bewegingen leken in lichte slow motion te gebeuren – die, wachtend om naar binnen te worden gesommeerd om het eindrapport af te halen, in bonte, rumoerige groepjes op de speelplaats rondhingen. Hoewel ik ook een fractie meekreeg van de nieuwsgierige blikken die kwistig in het rond werden gestrooid, waren de meesten al volop in vakantiestemming, een gevoel dat collectief duidelijk de overhand had gekregen waardoor de op een doel geconcentreerde spanning die mijn hele lijf verkrampte toen ik het betegelde plein met haastige passen richting lockers diagonaal doorkruiste, hier schril tegen afstak. Hetzelfde kan gezegd worden van de bezorgde blik op het gelaat van mijn vriendin Lina die zich losmaakte uit één van die verspreide groepjes en duidelijk geëxciteerd op mij afgeschoten kwam. Ze had haar lange asblonde haren in twee strengen gevlochten en dezen concentrisch rond haar hoofd gewikkeld. Zo had ik haar nog nooit eerder gezien, al onderdrukte ik de instinctief opkomende opmerking die ik erover wilde maken snel, vermits ik prangendere zaken af te handelen had en ook zij door haar manier van doen aangaf met iets anders in haar hoofd te zitten dan haar uiterlijke verschijning. Buiten adem, paniekerig en met een expliciet vragende blik in de ogen kwam onsamenhangend van haar tong gerold dat Dean tegen iedereen die het wilde horen rondbazuinde dat ik me serieus in de problemen had gewerkt en dat hij wist waar het om ging, zonder details te geven implicerend dat het heus wel wat was. Hoe hij ook maar ergens van op de hoogte kon zijn, was mij een raadsel, misschien was dat ook helemaal niet het geval en was hij zoals zo vaak weer gewoon wat losse flodders in het rond aan het schieten, in de hoop dat er ooit eens een echte kogel zou tussen zitten. Dean was een onbehouwen klasgenoot met een brede, hoekige kin die al onze hele middelbare schooltijd met amoureuze bedoelingen achter Lina aan zat, maar die helemaal haar type niet was en volstrekt geen kans maakte, en die dat ergens wel wist en daardoor tegen mij een irrationele wrok had ontwikkeld en mij constant het leven zuur probeerde maken. Deze keer had het geluk uiteindelijk eens zijn kant gekozen, en zijn spervuur zou daarbij nog eens doel kunnen raken ook. Of ik het specifieke target van het onderzoek was wist ik niet, maar, ook al zou het via nevenschade zijn dat ik het slachtoffer werd stond voor mij buiten kijf. Hoe dan ook zouden de volgende uren een serieuze impact op mijn verdere leven kunnen uitoefenen. De wetenschap dat ook anderen eventueel van mijn ongelukkige wedervaren afwisten compliceerde de zaken ook nog eens op langere termijn, en dat alles maakte urgent en efficiënt handelen enkel maar dringender. Ik wist dat Lina enige opheldering verlangde en verdiende, maar ik had geen tijd te verliezen en probeerde haar er in allerijl van te overtuigen dat ze Deans onhebbelijke gewoontes ondertussen toch wel kende, dat hij gewoon weer een manier had gezocht om mij te jennen en dat alles schromelijk overdreven was. Voor ik er als een pijl uit een boog vandoor ging wierp ik haar enkel nog snel toe dat ik later alles zou uitleggen maar dat ze zich in tussentijd niet te veel zorgen hoefde te maken. Haar zo tactloos ter plekke laten was niet mijn gewone doen, wat me deed vermoeden dat ze me (terecht) waarschijnlijk niet echt geloofde, maar ook dat waren zorgen voor later.

Ik zette mijn weg verder en na een vlugge blik over beide schouders zag ik dat de gezagsdragers en grand comité naar dezelfde bestemming onderweg waren met in hun gezelschap een groep scholieren. Harolds eerder geopperde suggestie dat ze een onderzoek naar de inhoud van de lockers zouden uitvoeren bleek bewaarheid te worden. Zoals later helemaal duidelijk werd namen ze alle leerlingen klas per klas met zich mee om ieders bergkastje in aanwezigheid van zijn/haar eigenaar één voor één te openen en te inspecteren. Ik had, dacht ik, voldoende voorsprong en hoopte dat ik nog onopgemerkt het gebouw binnen was weten te dringen. Ik graaide met trillende handen haastig de rugzak uit mijn kastje waarna ik nog snel het deurtje weer dicht smeet en het slot onzorgvuldig herbevestigde. Net toen ik aanstalten maakte me weer langs dezelfde weg naar buiten te reppen hoorde ik de deur die ik voor ogen had, echter schurend opendraaien, en sprintte ik de tegenovergestelde richting uit waar ik een andere vluchtroute zocht en vond in de tweede uitgang die uitgaf op de achterliggende sportvelden. Die waren op dat moment gelukkig verstokt gebleven van surveillance, want anders zou ik in de open vlakte meteen in het oog gelopen hebben, en mits een kleine omweg kwam ik weer op de speelplaats terecht. Zo onopvallend mogelijk mengde ik me onder de nog steeds in groepjes kriskras verspreide leerlingen. Ik moest me met dringende noodzaak zien te ontdoen van de kruiselings met de armen voor mijn borst geklemd gehouden ballast en schakelde het afjakkeren van mijn hersens nog een versnelling hoger. Ik bevond me al een tijdje in een staat van hyperconcentratie en haarscherp gefocust nadenkend zocht ik alweer naar een manier om zo snel mogelijk van de rugzak vol bezwarend materiaal af te geraken met de mogelijkheid die later weer in bezit te kunnen krijgen. Als bij toverslag werd ik toen opeens bevangen door een perfecte ingeving. Zonder halt te houden checkte ik Trevors tas op naamtags en andere sporen die naar de eigenaar, Leif of mij konden leiden. Ik vond er niet onmiddellijk, maar voor de zekerheid verwijderde ik toch een handvol kassatickets, waarna ik de rugzak met een soepele, onopvallend uitgevoerde heupworp bij de verloren voorwerpen mikte, een grote houten bak onder het afdak in het midden van het betegelde terrein. Ik ging ervan uit dat die door de politie over het hoofd gezien zouden worden en nadien kon ik hem dan eens komen oppikken. Een dik half uur later stond ik zelf toe te kijken hoe een agent door mijn vuile gymkleren rommelde, de enige bezittingen die ik op dat moment nog in mijn locker had zitten. Ik probeerde onverschillig te kijken en zag op de achtergrond Deans gezichtsexpressie van verwachtingsvol in teleurgesteld overgaan. Wanneer we nog wat later onze punten in ontvangst namen, draaide de geruchtenmolen die uiteindelijk leek te concluderen dat bij niemand iets gevonden was – tot op de dag van vandaag is het mij overigens nog steeds een raadsel waar de politionele operatie indertijd op gericht was – uiteraard op volle toeren, en nauwelijks anderhalf uur nadat ik geagiteerd gearriveerd was, fietste ik alweer, voorlopig opgelucht door de uitkomst, naar huis, terwijl de rugzak als een door iedereen vergeten en genegeerd tell-tale heart tussen de overbodige kledingstukken, brooddozen en sportattributen in de bak op de snel leeglopende speelplaats onheilspellend aanzwellend lag te kloppen.

Het was het begin van een tactiek die ik in de toekomst veelvuldig zou gebruiken (zelfs zou weten te perfectioneren door er bijvoorbeeld een met iemand anders' naam gelabeld gebruiksvoorwerp in achter te laten), die in de meest diverse omstandigheden toepasbaar zou blijken en die ik als een soort handelsmerk (waar ik alleen zelf van op de hoogte was) voortaan tot de mijne zou maken...

 

 


 


 


 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Achtergrond Baouan: Interview Slow Bear - "terug meer op je instincten leren vertrouwen"

Verhalen uit Baouan: 'Radio Raheem'

Kontext Baouan: Interview Slow Bear – “unseren Instinkten wieder mehr vertrauen lernen”